‘Verloedering van een buurt leidt ook tot verpaupering van leven’

Ahmed Marcouch is sinds 2017 burgemeester van de gemeente Arnhem. Daarvoor was hij lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en gemeenteraadslid van Amsterdam. Voordat Marcouch de politiek inging was hij brigadier bij de politie, leraar maatschappijleer en procesmanager jeugdbeleid van de gemeente Amsterdam.

“Beter een goede buur dan een verre vriend, of zoals het spreekwoord in het Arabisch luidt: een ver familielid. Als buren elkaar kennen en met elkaar zorgen voor de buurt, dan komt dat de leefbaarheid van een wijk alleen maar ten goede. Ik ontdekte dat zelf toen ik begin jaren ’90 een wat grotere woning kreeg in Amsterdam Noord. Voor het eerst had ik een huis met een betonnen vloer. En toen ik bezig was met het afschrapen van het oude behang, ging de bel. Mijn benedenbuurman stond voor de deur: “Welkom meneer Marcouch in onze portiek”, zei hij. “Als je stroom nodig hebt, dan heb ik nog wel een verlengsnoer voor je in de box.” Vervolgens kreeg ik een rooster van hem: elke vrijdag werd ik geacht het trappenhuis te vegen en te dweilen. Zo ging dat toen daar. Als buren stond je voor elkaar klaar, maar je moest ook helpen met de zaken een beetje netjes te houden. Het mooie van deze anekdote is dat mijn buurman zich overduidelijk écht thuis voelde in zijn buurt. Dit was zijn wijk, zijn portiek, zijn trappenhuis. En hij sprak je er dus op aan als er iets niet goed ging.

Dat soort betrokkenheid, veiligheid en leefbaarheid kan alleen als de basis van een wijk op orde is. Ik vind het iets te makkelijk om als een wijk verpauperd is, dit alleen af te wentelen op de bewoners. Of om dan een burgerinitiatief te zien als een goedkoper alternatief voor wat de woningcoöperatie en de gemeente klaarblijkelijk hebben nagelaten: ervoor zorgen dat het in een wijk fijn wonen is, waar het schoon, veilig, goed onderhouden is én blijft.  Verloedering van een buurt leidt immers ook tot verpaupering van leven. Het is belangrijk te voorkomen dat in een portiek, straat of wijk die balans wordt verstoord. En dat kan niet alleen maar worden geleid door of je de huur wel of niet kunt betalen. Als iedereen in jouw buurt werkloos is, kampt met financiële stress en niet leeft maar overleeft, dan inspireert dat niet. Ook de kinderen die daar opgroeien, hebben dan geen andere voorbeelden. Dus in die zin is diversiteit net zo’n essentieel element als veiligheid of een netjes onderhouden portiek. Daarom ben ik ook voorstander van gemengd bouwen, omdat je daarmee een sturingsmechanisme hebt voor de inrichting van een buurt. Toen de gezinnen uit mijn oude buurt in Noord vertrokken, waren dat juist de voorbeelden en steunpilaren zoals de onderwijzers, agenten en verpleegkundigen. Als het iets beter ging in je leven, dan vertrok je.  Toen er niet meer gestuurd werd op de balans in de wijk, zag je dat: iedereen was aan het overleven. Niemand maakte het trappenhuis nog schoon. Niemand heette elkaar welkom of zei elkaar gedag. Afval bleef te lang liggen, de speeltoestellen op het pleintje gingen kapot.

Dan ontstaat het gevoel dat de overheid niet meer naar je omkijkt. Mensen zijn verweesd en alleen nog maar boos. En die boosheid is dan vaak deels terecht. Er moet een bepaalde veerkracht zijn in een wijk, zodat mensen elkaar opstuwen en inspireren tot het goede. En dat kan alleen als het leven in de basis goed is in deze wijken: met onderwijs als sleutel naar een betere toekomst waardoor een pedagogische wijk ontstaat, werk dat binnen handbereik ligt, je huis echt een thuis is dat het veilig is als je uit het keukenraam kijkt. Dan ontstaat er ook de ruimte om er voor elkaar te zijn. Dan begint weer het gedag zeggen naar elkaar, en het helpen van de nieuwe buurman – bijvoorbeeld bij het afschrapen van oud behang.”

 


Dit interview verscheen eerder in het magazine Werkplaats van KNHM foundation. Ik schreef voor deze uitgave meerdere interviews over diversiteit en inclusie.